Rasstandaard "Pyreneese Berghond"

Land van herkomst:

Frankrijk

Gebruik:

Waak- en verdedigingshond van de kudde in de bergen

Kort historisch overzicht:

 

Aanwezig in de Pyreneeën sinds onheugelijke tijden, gekend in de Middeleeuwen en gebruikt als bewaker van de kastelen, hij wordt vermeld door Gaston Phoebus in de 14e eeuw.
Al gewaardeerd als gezelschapshond in de 17e eeuw, hij kende zijn glorietijd aan het hof van Louis de 14e.
De eerste gedetailleerde beschrijving van de hond dateert uit 1897 in het boek van Graaf van Bylandt.
10 jaar later is de eerste rasclub opgericht en in 1923 heeft de “la Reunion des Amateurs de Chiens Pyrenees”op initiatief van Dhr. M. Bernard Senac- Lagrange de standaard officieel laten registreren bij de S.C.C.
De actuele standaard is nog steeds nauw verwant aan de standaard van 1923, het zijn vooral de bijzonderheden die zijn toegevoegd.
 

Algemeen voorkomen:

 

Een grote hond, imposant en krachtig gebouwd, maar niet ontdaan van een zekere elegantie.

 

Belangrijke verhoudingen:

 

- De maximale breedte van de schedel is gelijk aan de lengte van de schedel.
- De voorsnuit is ietwat korter dan de schedel.
- De lichaamslengte gemeten vanaf het boeg gewricht tot de punt van de zitbeen knobbel is langer dan de schofthoogte.
- De borstdiepte is gelijk aan de helft van de schofthoogte of iets minder.
 

Gedrag & karakter:

 

Gebruikt om zelfstandig de kudde te beschermen tegen aanvallen van roofdieren, zijn selectie berust op de eigenschappen van bewaker en verdediger, evenals zijn ijver (gehechtheid) voor de kudde.
De voornaamste kwaliteiten die hieruit voortkomen zijn kracht en beweeglijkheid alsmede de zachtheid en aanhankelijkheid naar diegenen die hij beschermt.
Deze waakhond heeft de neiging naar onafhankelijkheid en een hang naar initiatief die van zijn baas een zekere autoriteit (dominantie ) verlangt.
 

Hoofd:

 

Niet te groot in verhouding met het lichaam.
De zijkanten zijn tamelijk vlak.
 

Schedelgedeelte:

 

 

Schedel:



de maximale breedte van de schedel is gelijk aan de lengte.
De schedel is licht gewelfd de vorm van de schedelkam is boogvormig, waarneembaar bij aanraking. De achterhoofdsknobbel is zichtbaar, de schedel tot aan het achterste deel heeft een ovale vorm. De wenkbrauw bogen zijn niet gemarkeerd, de voorhoofdsgroef is licht voelbaar tussen de ogen.
Stop: is zacht glooiend (licht aflopend, hellend).

 

Voorsnuit:

 

Neus: is volledig zwart.
Snuit:

is breed, ietwat korter dan de schedel, geleidelijk aan versmallend aan het uiteinde. Van boven gezien is de snuit V-vormig met een afgeknotte punt. Hij is goed gevuld onder de ogen.
Lippen:
zijn een weinig hangend en bedekken net de onderkaak. Zij zijn zwart of zeer sterk zwart gemarkeerd, evenals het verhemelte.
Kaken en tanden:

moeten compleet zijn, de elementen sterk en wit. Het is een schaargebit ( de bovenste insicivi moeten in contact staan met de onderste) een tanggebit is toegestaan evenals dat de twee middelste incicivi lichtjes naar voren staan.
Ogen:

zijn tamelijk klein, amandel vorming ietwat schuin geplaatst, met een intelligente en beschouwende expressie, de kleur is bruin amber (barnsteenkleurig).
De oogleden zijn nooit hangend en zij zijn zwart omrand. De blik is zacht en dromerig.
Oren:

zijn op ooghoogte aangezet, zijn tamelijk klein, driehoekig van vorm, en afgerond aan de punt. Zij vallen vlak tegen het hoofd, en worden wat hoger gedragen als de hond alert is.

 

Hals:

 

De hals is sterk, ietwat kort met weinig keelhuid.

Lichaam:


De lengte van het lichaam gemeten vanaf het boeggewricht tot aan de punt van de zitbeenknobbel is ietwat langer als de schofthoogte. De hoogte van het borstbeen tot de grond is bijna gelijk aan de helft van de schofthoogte maar nooit minder.

 

Bovenbelijning: goed verbindend.
Schoft: breed.
Rug: van goede lengte, stevig, sterk.
Lendenen: van gemiddelde lengte.
Kruis: lichtelijk aflopend met duidelijk uitstekende heupen.
Flank: weinig aflopend.
Borst:

niet te veel aflopend, maar breed en diep. De borst reikt tot de elleboog, niet lager, de diepte is gelijk of ietwat minder als de helft van de schofthoogte. De zijkanten zijn lichtelijk rond.

 

Staart:


Staartlengte tenminste tot het spronggewricht. Hij is dicht behaard en vormt een pluim. Hij wordt in rust laag gedragen met aan het uiteinde bij voorkeur een haak. Als de hond op zijn hoede is (alert) wordt de staart sterk gekruld waarbij alleen het uiteinde de lenden aanraakt. Hij maakt het wiel “ arroundera ” is de uitdrukking van de Pyreneese bergbewoners.

Ledematen:



Voorste ledematen: zijn loodrecht en sterk.
Schouder: middelmatig schuin.
Opperarm: gespierd van gemiddelde lengte.
Onderarm: recht sterk en goed bevederd.
Pols: de pols staat in het verlengde van de onderarm.
Middenvoet: ietwat schuin.
Voeten: in het verlengde, compact met de tenen licht gewelfd.

Achterste ledematen:


de achterbenen zijn voorzien van lange beharing die veel dichter is dan de bevedering van de voorbenen. Van achter gezien staan zij loodrecht op de grond.

Dijen: zijn goed gespierd, erg lang, middelmatig schuin. ” Gigoté ” (goed bevleesd).
Knie: middelmatig gehoekt en in de lijn (spil) van het lichaam.
Onderbeen: van gemiddelde lengte en sterk (krachtig).
Sprongen: breed ,droog, middelmatig gehoekt.
Voeten: iets in het verlengde, compact met de tenen licht gewelfd.
Hubertus klauwen:
de achterbenen hebben dubbele goed ontwikkelde hubertus klauwen. De voorbenen hebben soms ook enkele of dubbele hubertus klauwen.

Gangwerk:

Het gangwerk van de Pyreneese Berghond is krachtig en gemakkelijk (vlot), nooit de indruk gevend van logheid, het gangwerk is eerder ruim dan snel en niet zonder een zekere souplesse en niet zonder een zekere elegantie. Het zijn de hoekingen van de hond die het mogelijk maken dit gangwerk vol te houden.

Huid:

 

Dik en soepel, hij laat vaak pigment vlekken zien op het hele lichaam

 

Vacht:

 

De vacht is goed dik, vlak, tamelijk lang en soepel, tamelijk (vrij) hard op de schouders en de rug. Langer aan de staart en rondom de hals, waar het iets golvend mag zijn. De vacht van de broek is fijner en wolliger en erg dik. De ondervacht is eveneens goed dik (dicht).

De kleur:

De kleur is wit of wit met grijze vlekken “blaireau” (das of wolfskleurig), bleek geel, of oranje (arrouye), op het hoofd, de oren en bij de staart aanzet, soms op het lichaam.
De daskleurige vlekken worden het meest gewaardeerd.
 

Hoogte:

 

Reuen 70-80 cm
Teven 65-75 cm
Een tolerantie naar boven van 2 cm is toegestaan voor honden van het perfecte type.
 

Fouten:

 

Elke afwijking van bovenstaande beschrijving moet worden aangemerkt als fout, de zwaarte waarmee de fout bestraft wordt is afhankelijk van de mate van de afwijking.

Totaalbeeld:
als de hond de indruk geeft van zwaar, zonder adel. Een hond die te dik, slap (krachteloos) of apathisch is.
Hoofd:

te zwaar, rechthoekig van vorm, Schedel te breed, gewelfd (bol) voorhoofd. Te sterk geprononceerde stop of miniem. Te veel hangende lippen, hanglippen vormend. Pigment verlies op de neus, de oogranden en lippen.
Ogen:

ronde ogen, lichte ogen, te diepliggend of uitpuilende ogen, te grote of te kleine ogen. Te dicht bijeenstaand of te ver uit elkaar staand. Derde ooglid zichtbaar. Harde uitdrukking.
Oren: te breed, lang, gedraaid, geplooid, naar achteren geslagen of te hoog aangezet.
Hals:
schraal (dun), te lang of te kort, de indruk wekkend dat het hoofd in de schouder zit. Te veel keelhuid.
Lichaam:
bovenbelijning met een zadelrug of een gebogen rug (karperrug), dip vertonend. Buiklijn te sterk oplopend of afhangend.
Borst: te breed of te smal. Ribben te vlak of te gewelfd (tonvormig)
Staart: weinig bevederd of slecht gedragen. Te kort of te lang, zonder pluim. Bij actie niet het wiel makend of continu het wiel makend zelfs bij rust.
Voorste Ledematen: voeten naar binnen gedraaid en ellebogen naar buiten gedraaid.
Hoek schouder opperarm te open.
Achterste ledematen: voeten naar buiten gedraaid en hakken naar binnen staand.
Spronghoeking recht of teveel gehoekt.
Voeten: lang en plat.
Vacht: kort of gekruld, zijdeachtig, slap, zonder onderwol.

Diskwalificerende fouten:

Kleur: anders dan vermeld in de standaard.
Neus: andere kleur dan absoluut zwart.
Kaken: bovenover of ondervoor beet of elke andere misvorming van de kaken.
Ogen: vleeskleurig vlekken op de oogleden. Gele ogen.
Hubertus klauwen:
afwezigheid van dubbele hubertus klauwen, enkele - of slecht ontwikkelde hubertus klauwen aan de achterbenen.
Hoogte: honden vallend buiten de standaard maten.

N.B. Reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels hebben die volledig in de balzak zijn ingedaald.


( Bron:VKK
)